geloof De Romeinen hadden hun eigen geloof. Dat hadden ze meegenomen uit veroverde landen. Ze dachten dat overal goden zaten, in bomen, in de lucht, onder vulkanen enz. In Rome mochten buitenlanders, bijvoorbeeld uit Perzië, Griekenland, Israel en Egypte ook hun eigen godsdienst hebben. Ze moesten in het openbaar alleen wel eerbied hebben voor de Romeinse goden. Voor elke god was er wel een tempel. Op het Capitool, een berg in de beurt ven Rome, lagen nog drie tempels voor de belangrijkste goden, Jupiter, Juno en Minerva. De Romeinen bouwden in de stad Rome ook nog eens het Parthenon, wat letterlijk “voor alle goden” betekent. De Romeinen offerden ook veel. Als er door Augustus een gebed werd gedaan moest er een stier komen. Ze hielden hem heilig graan voor, Als hij er van at was hij een geschikt offerdier. Als de stier geschikt was werd hij bewusteloos geslagen. Daarna werd de lever er uitgehaald. Als de lever goed was, was het gebed verhoord.